In de groepsapp
De voordeur, week drie
‘Deur nog steeds kapot. Iedereen kan zo naar binnen lopen.’ Dat was de begane grond, om 7.12 uur. Om 7.40 uur stonden er negentien berichten bij in de bewonersapp, waaronder twee foto’s van het slot en een verhaal over een gestolen fiets. Femke las alles in de bus. Ze voelde hoe de klachten van vanochtend zich in dezelfde vorm zetten als die van vorige week: iedereen geërgerd, niemand aangewezen.
‘Wie heeft de beheerder nou echt gebeld?’ schreef ze. ‘Naam en datum graag.’ Stilte. Toen Annelies van 3B, die zelden iets plaatste: ‘Kunnen we tot het gemaakt is de binnendeur misschien klemzetten en er een briefje op hangen met een nummer dat je kunt bellen?’ ‘Dat lost het niet op,’ typte Femke, en ze ging verder. Ze stapte uit, bleef voor haar kantoor staan en belde om 8.05 uur zelf met de beheerder. Om 8.20 uur zat ze weer in de app.
‘Geregeld. De monteur komt donderdag tussen 10 en 12. Iemand moet hem binnenlaten. Meneer Visser, u woont op de begane grond en bent ’s ochtends thuis. Kunt u de donderdag nemen? Komt hij niet opdagen, dan zit ik er vrijdag om 8.00 uur bovenop.’ Meneer Visser stuurde een duimpje. In een kwartier was gelukt wat drie weken berichten niet voor elkaar hadden gekregen, en ze was tevreden, en ook een beetje ongeduldig met hen allemaal.
In de lunchpauze las ze het gesprek nog eens door om te zien of ze niets over het hoofd had gezien. Dat had ze wel. Donderdag was pas over drie dagen. Drie nachten lang zou de deur nog openstaan, en het enige idee dat die nachten afdekte was dat van Annelies, dat zij in vier woorden had platgewalst zonder het goed te lezen. Ze opende een leeg document en had het briefje al half af, met telefoonnummer en al, voordat ze zichzelf betrapte. Dit was het idee van Annelies.
‘Annelies, ik was vanochtend te snel. Jouw voorstel is tot donderdag de juiste oplossing. Wil jij het briefje schrijven? Ik kan het op mijn werk printen en neem het vanavond mee.’ Het antwoord liet even op zich wachten. ‘Ik had het al geschreven. Ik wist alleen niet of iemand erop zat te wachten.’ ‘Ik wel. Stuur maar door.’